31 december 2015

Nederlandse waterbouwsector onder druk

Bron: Land en water, 31-12-2015

De Nederlandse waterbouwsector heeft een rooskleurig zelfbeeld, maar ze dreigt te worden ingehaald door de buitenlandse concurrentie. Dat stelt algemeen directeur Arie Mol van ingenieurs bureau Lievensecso.

 

Mol (66) is geboren in Enschede en studeerde kustwaterbouw aan TU Delft, Zijn carriere ving aan bij het Delft Waterloopkundig Laboratorium, later Deltares. Nadien werkte hij bij onder meer Arcadis Infra, Frederiek R. Harrisen sinds 2010 bij Lievensecso. Hij was betrokken bij de bouw van de Oosterscheldekering, de kering in Venetie en de aanleg van havens in Rusland, Israel, Italie, Portugal en Latijns-Amerikaanse, Afrikaanse en Aziatische landen en de Caraiben. Lievensecso is gespecialiseerd in waterbouw, ondergrondse infrastructuur, bodem en ruimtelijke planvorming en richt zich met name op delta's, kustgebieden en riviervlakten. Half november nam het bureau branchegenoot Bartels Engineering over.

 

"Nederland heeft enorm veel kennis en expertise opgebouwd met bijvoorbeeld de Deltawerken. Maar de wereld is veranderd. Veel kennis is nu volledig te vinden op internet. Dat was twintig jaar geleden ondenkbaar. Aziatische concurrenten lopen qua kennis en expertise snel in, terwijl ze ook nog eens veel goedkoper werken. Bij grote waterbouwprojecten kunnen we moeilijk tegen ze op. Nederlandse bureaus zijn inhoudelijk erg goed, maar ook zeer prijzig. Onze baggeraars ontmoeten veel concurrentie bij standaardwerk. Ze staan wel sterker bij het werken in bijvoorbeeld ecologisch kwetsbare gebieden, waar kwaliteit een rol speelt."

 

Nederland is op gebied van waterbouw niet zo groot als we denken, luidt Mols pijnlijke boodschap. "De vraag is zelfs of we - kijkend naar de geschiedenis - die grote internationale positie ooit
wel hebben gehad. De Nederlandse baggeraars doen het goed, maar qua omzet is de Belgische baggersector momenteel groter. Nederlandse waterbouwaannemers hebben niet de juiste omvang om het management en financiering van grote buitenlandse waterbouwprojecten op te pakken. Ze zijn hooguit onderaannemer voor specifieke onderdelen, zoals palen heien of afzinken van tunnels." Verder staan verschillende grote aannemers er financieel slecht voor. "Met name in de Nederlandse markt hebben ze zich verslikt in de design&construct-projecten, waarbij men onvoldoende marge wist te onderhandelen. Daardoor kunnen ze ook niet slagvaardig de buitenlandse markt op gaan. Ballast Nedam, een icoon van de Nederlandse aannemerij, is nagenoeg failliet en moet nu gered worden door een Turkse miljonair. Wat ook een rol speelt, is dat Nederlandse bouwers zich na 2000 zijn gaan richten op de toen lucratieve Nederlandse markt, waardoor er in Nederland nog maar weinig ervaring met werken in het buitenland is overgebleven. Die projecten waren echter niet bijzonder en hebben niet geleid tot nieuwe technieken. Het ontbreekt daardoor aan 'icoonprojecten' met een internationale uitstraling. Nederland moet gericht investeren in kennisontwikkeling. Daar zijn concrete projecten voor nodig." Arie Mol: "Nederland is op gebied van waterbouw niet zo groot als we denken."